Reizen die je gemaakt moet hebben: Op zoek naar de laatste Castro


Cuba wacht gelaten op de laatste dag van de langst dienende bad boy van de wereldpolitiek: Fidel. Hij zette zijn land op de kaart, maakte het communistisch en hield zichzelf ondanks (of misschien wel dankzij) de immense druk vanuit het buitenland staande – maar veel staan doet hij inmiddels niet meer. Begin dit jaar gaf hij de leiding over aan zijn jongere broer Raúl, maar ook diens macht schijnt tanende te zijn. De ene Castro is de andere tenslotte niet. Tijd om op zoek te gaan naar De Laatste Castro, voor het te laat is.


Om de zoektocht meteen na aankomst een goede start te geven, gaan we een willekeurig café in alcohol praat makkelijker), waar een luide salsaband speelt waarvan de zanger om de zoveel nummers naar buiten loopt om zijn mojito aan te vullen met behulp van de fles Havana Club in zijn achterzak.

Gecamoufleerd door het lawaai van de band, vragen we een man met de naam George heel onopvallend of hij Fidel wel eens heeft gezien. En of ons dat zou kunnen lukken. Hij haalt zijn vrienden er bij en die beginnen luidkeels anekdotes op te rakelen. ‘Een paar jaar geleden was het gemakkelijk geweest om Fidel in levenden lijve te zien. Elke dinsdag sprak hij op het Plaza de la Revolución zijn volk toe. Aanvankelijk deed hij het uit zijn hoofd, soms urenlang. Zijn langste toespraak ooit duurde zeven en een half uur.’


Zijn vriend, George, doet er een schep bovenop: ‘Je gaat Het Paard (een bijnaam voor Fidel) niet vinden. Raúl wordt ook moeilijk, hij geeft nauwelijks toespraken. Voorheen kwam Fidel nog wel eens langs in Hotel Nacional om toeristen de hand te schudden. Tegenwoordig niet meer.’ De avond die volgt, wordt gelardeerd met nog meer anekdotes (‘Fidel heeft altijd een geweer onder zijn autostoel, hij laat hem trots zien aan iedereen die met hem meerijdt.’ Of: ‘Hij slaapt elke nacht maar twee uur.’). De muziek wordt luider, het publiek dronken. Op Cuba wordt door iedereen gedronken, en alleen maar Havana Club – het enige internationale rummerk dat daadwerkelijk op Cuba wordt gemaakt.


In totaal zijn er 35 Cubaanse rummerken, maar die zijn vooral voor de lokale markt bedoeld en veelal niet te pruimen. Op het eiland zijn twee destillerijen en in de binnenstad van Havana is de oude destillerij omgebouwd tot rummuseum. George, werkzaam in het museum, vertelt graag over rum (zijn favoriet is de Añejos 7 años) maar twijfelt te zullen antwoorden op de vraag of het merk staatseigendom is. ‘Officieel is 51 procent van de aandelen in handen van een investeringsmaatschappij en 49 procent in handen van het Franse drankconcern Pernod Ricard.’ Die investeringsmaatschappij is, leren we later, eigendom van de staat. Zo wordt drinken inderdaad een social(istisch)e bezigheid.


Een van de mannen die we die avond spreken, blijkt zelf Castro te heten, al is hij geen familie. (Later pakken we het telefoonboek erbij en vinden we acht Castro’s in de omgeving van Havana. Geen enkele ervan heet Fidel of Raúl.) Hij komt uit hetzelfde gebied als zijn bekende naamgenoten en weet waar ze wonen, in de buurt Santa Fé. Hij lijkt ons te vertrouwen en wil ons er wel heen rijden. Maar: ‘We kunnen niet stoppen voor zijn huis, hooguit er voorlangs rijden.’ Zo geschiedt.

Officieel zijn we – uiteraard – zonder journalistenvisum binnengekomen, dus schrijven of opvallend fotograferen kan niet. De enige keer dat George er lucht van krijgt dat we een poging tot journalistiek aan het bedrijven zijn, wordt hij wit onder de Cubaanse neus. ‘Waarom willen jullie het eigenlijk zien? Waarvoor dan? Dit is het. Dichter dan dit kunnen we niet bij zijn huis komen.’
Even is het vertrouwen weg. Hij vraagt naar onze beroepen, wat we doen voor de kost. Hij lijkt er spijt van te hebben ons iets te hebben verteld. We praten er wat omheen en na wat geruststellingen praat hij weer verder en komen we bij het complex aan.
Fidel heeft vier huizen, waarvan de meest bewoonde in de buitenwijk Santa Fé ligt. Het staat op een groot, ommuurd erf, waarop ook Raúls huis staat, samen met een privé-ziekenhuisje. Hoewel niemand weet waar Fidel zich officieel bevindt, ligt het voor de hand dat hij in dat ziekenhuisje ligt.
George Castro wordt wat nerveuzer. Hij durft ook niet meer uit het raam te wijzen. ‘Hier begint het, achter deze muur wonen ze.’ De auto mindert vaart, maar er is weinig te zien, behalve een muur met daarachter dichte begroeiing. De straat is nagenoeg leeg. We zijn nu op ongeveer honderd meter afstand van Fidel, en rijden langs een grote, groene poort. Even kunnen we naar binnen kijken. Donkere beplanting, met een lange oprijlaan er doorheen. Het huis van Raúl is te zien, er loopt zelfs iemand buiten. Raúl zelf? Aan weerszijden van de poort staan militairen, maar heel opvallend zijn ze niet. ‘De meeste mensen weten niet dat Castro hier woont,’ zegt George, ‘Ze willen niet te duidelijk laten zien dat ze hier wonen. Als ze de stad ingaan, rijden ze over een andere weg, de Avenida 5, die helemaal met camera’s beveiligd is.’

Rond Castro’s huis is het rustiger op straat dan elders, maar dat kan ook zijn omdat hij in een goede buurt woont. Het is geen serene rust, het voelt meer als een halflege bar waarin je net iets te vaak bekeken wordt. Toeristen – zeker als ze met een grote camera en kladblok rondlopen – zijn hier opvallend. En iedereen weet, dat ze zeker hier worden geschaduwd. Aanbellen kan niet, er hangt geen bel. De auto rolt weer verder.

Die avond vinden we gelukkig weer een andere spreker. We vragen hem of hij denkt dat we geschaduwd worden. ‘Dat zal zeker zo zijn,’ zegt hij. ‘Ze weten alles van je, maar zolang je niks raars doet, zullen ze je niks doen. Zelfs als je met een bord met Fuck Fidel zwaait, zullen ze eerder denken dat je knettergek dan gevaarlijk bent. Je zal niet in de gevangenis belanden, ze zullen je gewoon het land uitzetten. Dat is het voordeel van toerist zijn. Bij mij zou dat zeker anders liggen. Als wij gaan protesteren, worden we overigens ook niet meteen in elkaar geslagen. Dan stuurt de regering een taskforce met betaalde Fidel-aanhangers, die dan ons protest overstemmen.
Daarna word je wel geschaduwd. Hij heeft in de afgelopen vijftig jaar heel wat slimme methodes verzonnen om ons eronder te houden.’
Later begint zijn vriend, George, nog even over voetbal – een makkelijker onderwerp. ‘Van Basten was een goede voetballer, maar jullie hadden hem nooit moeten aanstellen als trainer.’
‘We kunnen hem ook ruilen voor Fidel, die weet tenminste hoe hij stevig leiding moet geven.’
‘Is goed, ruilen? Ik zou dolgraag weg willen hier. Je moet weten dat je hier niks kunt zeggen of doen.’


De laatste mogelijkheid om Castro te ontmoeten, is via-via. We vertrekken naar een man die naar verluidt een vertrouwensband met Castro heeft. Zelfs iemand die niet bang is hem de waarheid te zeggen. Het is sigarenmaker Don Alejandro Robaina.
Voor we hem spreken, moet hij op de foto met zijn fans – Robaina is een held in Cuba. Hij is negentig jaar en de enige levende persoon naar wie een sigaar is vernoemd. Volgens sommigen is hij zelfs de verpersoonlijking van de Cubaanse sigaar (wat dat ook moge betekenen. De sigaar zijn is al erg, maar dan ook nog in Cuba?) Het boerenwerk heeft hij voor een groot deel aan jongere handen overgelaten,
maar hij verveelt zich niet. Terwijl hij aan onze vrouwelijke gids peutert, vertelt hij honderduit over zijn eigen legende en andere dingen die hem tegenwoordig bezig houden.
‘Ik ben de enige man die Fidel ooit de waarheid heeft verteld,’ vertelt hij met niet verhulde trots. ‘Hij wilde alle sigarenplantages naar Russisch voorbeeld ombouwen tot grote staatsbedrijven. Maar dat hield ik tegen. Ik zei: “Fidel, geen goed plan. Sigaren moeten geproduceerd worden met de kennis en bezieling van een familietraditie. Niet door staatsbedrijven.” Toen heeft hij ons verder met rust gelaten. Fidel is hier wel vaker op de boerderij langs geweest. Hij heeft ook wel mijn sigaren gerookt, maar hij stopte net met roken toen mijn merk op de markt kwam.’

‘Denkt u dat we hem een keer via u kunnen ontmoeten?’
‘Nee, ik doe niet aan politiek.’

Terug naar de hoofdstad, Havana. Het regent zo hard dat het lijkt alsof het asfalt van de straten spoelt. Wat zou Fidel er zelf van denken als hij door dit land reist? Zou hij tevreden zijn? Bijna alle gebouwen in Havana zijn vervallen – niemand onderhoudt huizen die eigendom van de staat zijn. Er zijn nauwelijks winkels. Er is geen reclame; de enige charismatische uitingen, zijn de propaganda-borden (die overigens allemaal ‘de revolutie’ roemen, nooit ‘het communisme’).
De oude, Amerikaanse auto’s uit de jaren vijftig en de Lada’s zijn grotendeels vervangen door modellen uit Azië. De stadsbussen komen bijna allemaal uit China (nieuw) of Nederland (oud) – zelfs de bestemming ‘Almere Haven’ staat nog op de voorkant van een bus, een andere meldt ‘Extra dienst’.
In een van de weinige boekwinkeltjes liggen enkele tientallen boeken. Precies de boektitels die je zou verwachten: Capitalism in crisis, Che against the CIA, Bioterrorism manufacturing wars the American way en El Capital. Behalve El Zorro liggen er nauwelijks boeken die je niet direct met politiek kunt verbinden. Het zijn bijna allemaal oude boeken en aan de lege schappen af te lezen, worden ze nauwelijks verkocht.
Het Museum van de Revolutie is net zo leeg: slechts een enkele toerist heeft zich er gewaagd. De tentoonstelling bouwt op vanaf de negentiende eeuw (waarin de eerste Amerikaanse agressor zich al op het eiland wilde vestigen) tot aan de revolutie. De baret van Che ligt in het museum, en er is zelfs een soort Madamme Tussauds-opstelling waar Che en Fidel samen over een rots klimmen, ongetwijfeld op weg naar de overwinning.
Het enige wat ontbreekt in het museum, is hedendaags materiaal. Precies zoals op straat en in de boekwinkel. Waar is het Cuba van vandaag?


Volgens mensen die Cuba in een recenter verleden al eens bezochten, is er al een hoop veranderd.
In het staatsbeeld, maar ook in de staatsstructuur. Toerisme is veel belangrijker geworden – al is het maar omdat het de kortste weg is tot snelle, harde valuta. Dat is niet goed voor de communistische gedachte, maar wel voor het stillen van de honger. Met die toegenomen invloed van buitenaf, groeit ook het bewustzijn dat het land zich niet langer meer kan afsluiten van de rest van de wereld.
Voor we deze trip gingen maken, wisten we uiteraard dat het niet makkelijk zou zijn om Castro in levenden lijve te ontmoeten. En inderdaad, levend hebben we hem niet gezien. We vonden hem wel overal om ons heen, op plakkaten en muurschilderingen en we voelden zijn dreigende aanwezigheid toen we met mensen op straat wilden spreken. Wat nog het meeste verbaasde, was de gelatenheid waarmee de Cubanen de politieke situatie bespraken. Misschien interesseert het ze niet meer. Of misschien is het omdat ze denken dat het niet lang meer duurt. Alsof ze aanvoelen dat hun land zich ergens in de komende tien jaar heropent en zegt: ‘Fidel está muerto.’

* Vanwege privacy is de naam George in het artikel gefingeerd

Bent u nieuwsgierig geworden naar het mysterieuze Cuba? Boek dan bij Kuoni een 14-daagse “Cuba Highlights” rondreis of een van de andere reizen of producten om Cuba te ontdekken.

About Inouk
INOUK.nl is een reisblog over bijzondere verre reizen en exclusieve vakanties. Lees unieke reisverhalen door en voor reizigers. Deel reistips en blijf op de hoogte van de nieuwste vakantie bestemmingen!

Speak Your Mind

*